Op 27 september 2010 hebben een negental provincies een ‘aanbesteding externe postvoorziening’ gepubliceerd. De samenstelling van het omvangrijkste perceel leidt tot uitsluiting van enkele landelijk werkende postbedrijven en pakketdiensten. Slechts een kort geding zal hun recht op beklag veilig stellen. Is hier sprake van een doelbewust op scherp stellen door de Provincies??

De aanbesteding is uitgebracht namens de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Flevoland, Utrecht, Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel.

Het financieel belang bedraagt ruim euro 1,2 mln per jaar, bij benadering verdeeld in euro 1,0 mln voor perceel 1 en euro 0,2 mln voor perceel 2. Beoogde looptijd is 2 jaar vast, met een mogelijke verlenging van twee maal 1 jaar. Voor perceel 1 wordt een exclusieve raamovereenkomst met één partij afgesloten, voor perceel 2 een niet-exclusieve raamovereenkomst met één partij.

Het eerste perceel omvat geadresseerde post verdeeld naar Partijenpost gemengd (= gemengde partijen post waarbij wordt afgerekend op basis van een gemiddeld gewicht. Het stuksgewicht van de zendingen ligt tussen 0 en 3.000 gram en de stukken kunnen qua formaat, lay-out en inhoud van elkaar verschillen), Partijenpost brieven (= partijen post met stukken die qua uiterlijk en formaat aan elkaar gelijk zijn en in dezelfde gewichtsklasse vallen), Partijenpost mailing (= partijen post met stukken die qua uiterlijk, formaat, inhoud én gewicht aan elkaar gelijk zijn), Pakketten en Antwoordzendingen.

Hierbij worden er in perceel 1 twee serviceniveaus onderscheiden: 24 uurs en 48 uurs, met een geschat belang van 80% 24 uurs en 20% 48 uurs.

Het tweede perceel omvat zowel geadresseerde als ongeadresseerde post en kent twee serviceniveaus: 48 uurs en 72 uurs of langer, met een geschat belang van 50% 48 uurs en 50% 72 uurs of langer.

Perceel 1 toont een dubbele uitsluitingsroute: door 24 uurs en 48 uurs te bundelen kan uitsluitend gegund worden aan een postbedrijf met een infrastructuur die 24 uurs service aan kan op alle onderdelen (TNT) terwijl door pakketten en antwoordzendingen op te nemen zowel landelijk werkende pakketdiensten die geen verdere postdiensten verlenen als landelijk werkende postbedrijven die geen antwoordnummerservice verlenen, uitgesloten worden.

Pakketdiensten en postbedrijven die bezwaar willen aantekenen tegen deze perceelindeling op grond van uitsluitingseffekten, dienen goed rekening te houden met het gestelde in art. 2.3.3 lid 1 en lid 2:

“De aanbestedingsdocumenten zijn met zorg samengesteld. Mocht een geïnteresseerde voor de opdracht desondanks tegenstrijdigheden, onvolkomenheden en/of onregelmatigheden tegenkomen, dan dient de geïnteresseerde deze zo spoedig mogelijk … aan aanbesteder kenbaar te maken op straffe van verval van recht. Als naderhand blijkt dat er tegenstrijdigheden, onvolkomenheden en/of onregelmatigheden in de aanbestedingsdocumenten zitten en deze zijn niet door de geïnteresseerde gemeld, kan dit aanbesteder niet (meer) worden aangerekend.

Ingeval een geïnteresseerde wel tijdig melding doet bij aanbesteder, maar aanbesteder er blijk van geeft niet van mening te zijn dat er sprake is van een onvolkomenheid en/of tegenstrijdigheid althans aanbesteder terzake geen aanpassingen respectievelijk wijzigingen verricht, is de geïnteresseerde verplicht nadere rechtsmaatregelen (KORT GEDING) te ondernemen op straffe van (wederom) verval van recht om over deze (eventuele) tegenstrijdigheid en/of onvolkomenheid (na inschrijving) in rechte te klagen.”

Conclusie

Het is nu aan de ‘overige’ postbedrijven en/of pakketdiensten om te bepalen of het belang voldoende groot is om de strijd aan te gaan met betrekking tot de samenstelling en structurering van perceel 1.

De precedentwerking van de uitkomst zal groot zijn en van invloed zijn op vele komende aanbestedingen, en dit niet alleen wanneer de huidige perceelindeling ‘gedoogd’ wordt maar ook wanneer de huidige perceelindeling bestreden wordt. De Provincies hebben daarmee zichzelf en de postmarkt op scherp gezet!

Rate this post

Print Friendly